HET  “QUINTEN METSYSPLEIN”                                Leo Galicia      11           

 

De eerste helft van de XIX-de eeuw bracht zowat overal een nieuwe stroming op gang.

 

In 1835 ontstond de eerste spoorlijn en in Leuven bereidde men zich voor om een eerste spoorwegstation aan te leggen. Ten westen daarvan, tussen Stationsplein en Tiensepoort, werden nieuwe wijken en straten aangelegd volgens het plan Laenen.

De "Lange Keyberg", verlengenis van de Keyberg in de Diestsestraat, werd in 1836 verder doorgetrokken en kreeg de naam "Bogaardenstraat". Deze straat werd genoemd naar het gebouw dat de Beggaarden (ook Bogaarden genaamd) er sedert 1657 bezaten en als college hadden ingericht.

Toen ontstond ook de Nobelstraat, genoemd naar de Leuvense familie Nobel. In 1837 werd de Burgemeesterstraat aangelegd en kreeg men een Dagobertstraat. Hiervan heeft men de echte achtergrond nog niet kunnen achterhalen, maar die zou kunnen verwijzen naar de Frankische koningen Dagobert I, II en III. 

 

Op de plaats waar deze vier straten samenkomen, ontstond er een kleine plaats, het Luikerplein. Op zeker ogenblik werd dit plein omgedoopt tot Quinten - Metsysplein.

 

Uit plan van de Stad Leuven rond 1910.  Verzameling archief  LHG

 

Quinten Metsys werd, in 1466, geboren in de Mechelsestraat in het huis "de Cousse" (later "het Goreeiken"). Hij was de zoon van de slotenmaker en kunstsmid Joos Metsys en van Katherina van Kinckem. Toen hij 15 of 16 jaar oud was, overleed zijn vader. Zo nam hij op jonge leeftijd de smidse van zijn vader over. In 1488 beëindigde hij de door zijn vader begonnen afsluiting van de kapel der familie Van Erpe in de St. Pieterskerk te Leuven.

Hij huwde met Christina van Pullaer en vestigde zich in april 1491 te Antwerpen, waar hij een tweede maal huwde met Adelheid van Thuyl uit Herenthout.

 

Sedertdien legde hij zich meer en meer toe op de schilderkunst, waarin hij aansloot bij de traditie van Dirk Bouts. Sommigen vermoeden dat hij zou gevormd zijn door de zonen van Dirk Bouts. Alleszins ging hij van smid over naar schilder. Tussen 1507 en 1509 schilderde hij voor de Leuvense St.Pieterskerk de St.Annatriptiek in lichte, fijne en bijna doorschijnende tinten. Deze triptiek bevindt zich nu in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Brussel. Tussen 1508 en 1511 schilderde hij "de Graflegging" (de "Noods Gods-triptiek) voor de kathedraal van Antwerpen.

 

Een groot aantal van zijn werken bevinden zich nu in verschillende musea in het buitenland. Van een groot aantal van zijn werken, godsdienstige taferelen, portretten, madonna's, enz. bevinden de mooiste exemplaren zich in Europese musea zoals Antwerpen, Brussel, Berlijn, Londen, Madrid, Parijs, Wenen, München, maar ook in Amerikaanse musea (oa. in New York en Chicago).

Door de samenstelling en schakering van de kleuren, enz. sluit hij perfect aan bij de oudvlaamse school van de Vlaamse Primitieven, maar bereidt hij klaarblijkelijk de overgang voor naar de Renaissance. Zijn tekeningen getuigen van Italiaanse invloeden, die hij nochtans wonderwel heeft aangepast aan zijn eigen gevoel en vormopvatting.

Hij was de stichter van de Antwerpse schildersschool en overleed te Antwerpen in 1530.

 

Nu is het plein heraangelegd en verfraaid met een herdenkingmomunent voor de gevallen betogers voor het Algemeen Stemrecht van 1902.