Het STEDELIJK ZWEMBAD van LEUVEN, M. BRUNFAUT 1958        13

 

In Leuven wordt opnieuw een interessant gebouw gesloopt. Het voormalige stedelijke zwembad gelegen tussen het Hogeschoolplein, het Pauscollege, het Patria complex en de Tiensestraat, werd in 1958 gebouwd door een van ‘s lands meest invloedrijke 20ste eeuwse architecten, Brusselaar Maxime Brunfaut. In dit artikel onderzoeken we het belang en de waarde van de zwemkom voor de ontwikkeling van het na-oorlogs bouwen in het Leuvense stadsbeeld. Een ‘pre-hume’ in memoriam...

 

 

 

 

Twee jaar geleden stierf Maxime Brunfaut op 94-jarige leeftijd. Van 21 april tot 10 juni 2004 organiseerde de stad Brussel in samenwerking met de vzw ‘Historisch Erfgoed van Brussel’ een overzichttentoonstelling van het werk van de architectenfamilie Brunfaut: Fernand (1886-1972), broer Gaston (1894-1974) en zoon Maxime (1909-2003) ( zie foto).

De tentoonstelling droeg de ondertitel ‘een sociaal bewogen architectuur’ en daarmee is het oeuvre in zijn juiste context geplaatst. In en rond Brussel realiseren vader en zoon Brunfaut een bijzonder rijk en interessant werk gaande van sociale woningbouw, appartementsgebouwen, kantoor-complexen (o.m. de hoofdzetel van de Parti Socialiste aan de Brusselse Keizerlaan) tot stationsgebouwen, ziekenhuizen en sanatoria, alsook sociale voorzieningen als sport- en zwemfaciliteiten.

 

De invloedrijke praktijk van Maxime Brunfaut moet vooral begrepen worden in de context van de door de staat gestuurde wederopbouw van het land na de Tweede Wereldoorlog. De architecten grijpen hierbij terug naar de Internationale stijl, ontwikkeld in het interbellum en op grote schaal toegepast na de wereldoorlog, en wordt daarom bouwhistorisch als na-oorlogs modernisme geduid.

 

In de jaren 1950 kende Leuven, net als vandaag trouwens, een socialistisch bewind onder burgemeester Franz Tielemans (1952-1958), dat vooral met stadsanering en sociale woningbouw begaan was.

 

Onder meer de Sint-Maartensdalwijk van de door het communistisch gedachtengoed doordrongen architect Renaat Braem zag toen het levenslicht. Maxime Brunfaut, die op dat ogenblik goede contacten onderhield met het nationale socialisme én een uitgebreide praktijkervaring bezat in opdrachten voor het Ministerie van Wederopbouw, werd al in 1946 door het stadsbestuur benaderd om een nieuw stedelijk zwembad te bouwen. Dit zou het eerste overdekte zwembad worden in de Leuvense agglomeratie en het was voorzien op het huidige De Becker - Rémyplein in Kessel-Lo.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

   Opmetingsplan 1955, SAL(...)

 

 

Het bestaande openbare zwembad dat in 1911 door stadarchitect Eugène Frische was gebouwd op de hoek van de Kapucijnenvoer en de Tervuursevest, was weliswaar verwarmd maar niet overdekt. De bouw zou gefinancierd worden met geld uit de nationale wederopbouwkas. Brunfaut ontwierp een volumineus vrijstaand gebouw met zwembad, sportfaciliteiten en cafetaria bestaande uit rechte en hoekige paviljoenen verbonden door de golvende organische lijnen van het dak, volledig in de geest van de voor-oorlogse Henry Van de Velde. Bij de aanstelling van het nieuwe socialistische bestuur in 1952 wordt het project verlaten en beslist de gemeenteraad om een nieuw zwembad op te richten binnen de stadsring, als onderdeel van de sanering en de wederopbouw van het gehavende stadscentrum.

Het hiervoor uitgekozen terrein bevond zich tussen het Pauscollege en het Hogeschoolplein aan de zuidzijde en het Patriacomplex, de Tiense- en de Muntstraat aan de noordzijde. Op het terrein stonden de vervallen gebouwen van de Gemeentelijke Jongensschool n°1 (zijde Muntstraat) en de De Bay Kazerne (zijde Patria), beide ondergebracht in voormalige colleges, respectievelijk het College De Bay en het College vanden Winckele.

De gebouwen werden in de Wereldoorlog zwaar beschadigd en omstreeks 1957 afgebroken. Om geld uit de nationale kas voor wederopbouw te krijgen werd Brunfauts opdracht voor de bouw van een overdekte zwemkom door het stadsbestuur uitgebreid met de wederopbouw van de gemeentelijke jongensschool n°1 en de bouw van een turn- en feestzaal.

 

 

De eerste ontwerpen dateren van 1954 en kiezen al resoluut voor een inplanting tegen de blinde muur van het Pauscollege en de realisatie van een nieuwe publieke binnentuin die door de gebouwenvan het zwembad, de feestzaal en de school begrensd wordt. Het uiteindelijke bouwkundige ontwerp van de zwemkom met feestzaal dateert van 1955, de uitvoeringsplannen en de aanbestedingsdocumenten van 1956, de detailplannen van 1957 en de uitvoering van 1958.

In navolging van het masterplan voor de hele site (1954), stelt Brunfaut gelijktijdig de plannen op voor de heroprichting van de gemeenteschool voor jongens n°1, die de oostzijde van de binnentuin moest afsluiten. De plannen tonen een gelijkaardige architectuur als het zwembad, eenvoudige volumes met grote glasvlakken, maar ditmaal met een opvallende betonnen luifel in de geest van Renaat Braem aan de zijde van de Tiensestraat.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

   Gevelplan 1957 van Brunfaut Maxime.

 

 

Hoewel er eveneens een bouwvergunningsdossier (1956) en een uitvoerings- en aanbestedingsdossier (1958) wordt opgemaakt, wordt het dossier ‘zonder gevolg’ geklasseerd. Brunfaut werkte duidelijk aan een stedelijk ensemble rond een binnenplein of –tuin, omringd met publieke gebouwen. Dit nieuwe stadsplein bleef tot op heden jammerlijk onvoltooid. De architectuur van de gebouwen is, zoals verder duidelijk zal worden, ook volledig gericht op en onderdanig aan de stedelijke kwaliteit die ze generen. Het terrein van de school wordt pas vele jaren later in 1984 geïntegreerd in het zogenaamde Patriacomplex.

 

De noordzijde van het nieuwe plein mag Brunfaut wel zelf ontwerpen in opdracht van de particulier Paul Cambier uit Rumbeke. Het betreft een appartementsgebouw van zes bouwlagen met handelsgelijkvloers en studio’s, een betonconstructie opgetrokken in 1959. Opvallend aan dit gebouw is opnieuw de stedelijke reflex. Een dubbelhoge gallerij met teruggetrokken begane grond trekt het voetpad van de Tiensestraat binnen de bouwlijn. De hoek met de Muntstraat wordt gearticuleerd via een verschoven inkom- en trappenhal voor de woonverdiepingen en een onderdoorgang naar het plein. De handels- en horecazaken met halfhoge stapelverdieping krijgen een toegang en etalage zowel aan voor- als achterzijde. Op die manier kon het nieuwe binnenplein met zwembad, sport- en feestzalen van de nodige animo voorzien worden. Vandaag staan hier echter de wagens van het stadspersoneel en zijn vele achtergevels van winkels geblindeerd. Stel je voor dat hier terrasjes stonden...

 

Het zwembadgebouw is opgevat als een aan de stad refererende schakeling en stapeling van rechthoekige basisvolumes met gedifferentieerde functies, hetgeen resulteert in een rationele en logische planopbouw.

 

Het functionele organigram bestaat uit vijf blokken - de grote en kleine zwemkom, de heren- en damescabines en de turnzaal - zo ook het gebouw, geheel volgens het modernistische adagium ‘Form follows function’. Volumetrie en geveluitwerking zijn expressief; ze zijn gebaseerd op en laten zien wat er binnen gebeurt. De grote zwemkom torent boven het complex uit en is opvallend afgedekt met een lessenaarsdak; alle andere volumes krijgen een platte bedaking.

 

De kleine zwemkom en de turn- annex feestzaal zitten in lagere rechthoekige dozen die de binnentuin omarmen en via enorme glasvlakken binnen- en buitengebeuren op elkaar betrekken. De grotendeels uit glas bestaande gevels zorgen er voor dat het stedelijke leven naar binnen wordt gezogen en dat ook de stad door de aanwezigheid van het zwembad veranderd wordt. Dit wil echter niet zeggen dat het gebouw enkel haar eigen stedelijke conditie creëert. De eerder gesloten functies zoals de kleedcabines en stortbaden voor heren en dames worden tegen de blinde gevels van respectievelijk het Pauscollege en de tuinen van de huizen in de ’s Meiersstraat gedrukt. In het oksel tussen beide ontstaat de eveneens ruim beglaasde inkom met traphal aan het Hogeschoolplein waar zich in de vide van de trapzaal een fresco van kunstenaar Jan Cobbaert (1909-1995) bevindt.

Het gebouw is een volledige betonconstructie aan de buitenzijde bekleed met witte kunststeenplaten en met een koperen dakbedekking. Grote en

kleine zwemkom zijn opgevat als betonnen kuipen die als het ware in een technische kelderverdieping ophangen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Doorsnedeplan 1957. Grote Zwemkom.

             

Deze technische vloer wordt veruitwendigd door het gebouw op een breukstenen sokkel te plaatsen. Grote en kleine zwemkom worden aan twee zijden geflankeerd door een lage verdieping met kleedkamers waarboven zich telkens tribunes bevinden voor de ontvangst van publiek bij zwemwedstrijden.

Opvallend is ook de kleine uitbouw naast de achteruit geschoven inkom op het Hogeschoolplein, een klein wit bakstenen volume met vierkante raampjes.

 

Hier was een dames- en een herenkapper gevestigd, een tegemoetkoming aan de verstrengde hygiënenormen?

Het stedelijk zwembad van Leuven is geen uitzonderlijk gebouw. Het is wel een gebouw met onmiskenbare bouw- en stedebouwkundige kwaliteiten. Het is één van de interessantste voorbeelden van naoorlogse modernistische architectuur in het Leuvense stadscentrum en bovendien ontworpen door een internationaal erkend architect. Het is een gebouw van de stad voor de stad dat een stedelijke functie op een open en transparante manier integreert in het stedelijke weefsel. Zijn kwaliteiten worden dan ook vooral bepaald door de manier waarop het gebouw met zijn fragiele stedebouwkundige context omgaat en ze verder definieert.

 

  

Brunfaut, 1957. Inkom Hogeschoolplein 

 

                                         

                                                  Detail inkom A. Smetsplein

 

 

Vandaag rijst de vraag wat er met het gebouw zal gebeuren. De stad verkoopt het met bouwverplichting en aan de hand van een ontwerpwedstrijd moet de kwaliteit van het nieuwe project gegarandeerd zijn. Behoud en herbestemming van het gebouw vereist in die context een moeilijke denkoefening die van alle partijen veel inzet en engagement vraagt. Moet het gebouw behouden blijven? Misschien niet.

Maar er moet minstens onderzoek gedaan worden naar de mogelijkheden die het gebouw biedt  aan de stad waardoor en waarvoor het is opgetrokken. Zeker is dat ieder renovatieproject staat of valt door zijn stedelijke dimensie.

 

 

Buitenzicht zwembadsite anno 2005 

 

 Binnenzicht zwembad anno 2005

 

 

De plek én het gebouw samen vereisen een naar de stad georiënteerde en openbare invulling die de stedebouwkundige visie van Brunfaut voor deze plek onderstreept.                                  

Herbestemming van modernistische architectuur is precair omdat deze architectuur zo monofunctioneel is. Meer nog dan in andere projecten moet bij het herbestemmingsvraagstuk, de wens in overeenstemming gebracht worden met de mogelijkheid en niet andersom.

 

Robin Engels, 08.10.2005

 

Bronnen: Stadsarchief Leuven, Modern Archief:

. Stadseigendommen, Stedelijk Zwembad, nrs. 21513, 21516, 22988, 23045, 23049, 25584.

. Gemeentearchief Kessel-Lo, afdeling VIII, nr. 427.

. Bouwvergunningen, 114562.