JUDAS…een iconografische kluif P. Reekmans
Enkele maanden geleden ontvingen we van een Nederlandse eigenaar een vraag om inlichtingen over een laat-zestiende-eeuwse paneelschildering met de voorstelling van een Laatste Avondmaal (formaat ca. 75cm x 1m60). Omdat in de familie van de eigenaar volgens een vaste traditie aangenomen werd dat het schilderij uit het Leuvense afkomstig was, stelden we ons in verbinding met mevrouw Vandekerchove, conservator van het Leuvens Stedelijk Museum, met het voorstel het paneel aan een onderzoek te onderwerpen. Het resultaat hiervan doet hier niet ter zake. Wat wel intrigeerde was de iconografische voorstelling.
Het gaat hier om de illustratie van het Laatste Avondmaal, de laatste samenkomst, die Jezus had met zijn apostelen volgens de tekst uit de Evangelies en waar het blijkt dat Judas zijn meester voor dertig zilverlingen zal verraden.
De onbekende schilder van dit paneel schildert het gebeuren volgens de passage uit het evangelie van Johannes waar deze de woorden van Jezus citeert: Hij is het, voor wien Ik het stuk brood zal indopen en wien Ik het toereik (13-26). Bij Marcus (14-18) en Matheus (16-23), lezen we dat: Wie met Mij de hand in de schotel steekt, zal mij verraden, wijl Lucas (23-21) een andere interpretatie laat horen: Zie de hand van hem die Mij verraadt is met Mij op de tafel.
![]()
De schilder toont hoe Jezus het brood aanreikt, in een houding zoals dit, non in manibus, maar op de tong, in de preconsiliaire misvieringen werd gedaan. Het is dus duidelijk een voorstelling volgens het woord van Johannes.
Op het schilderij houdt Judas de mond gesloten en schijnt het brood, dat naar de rode kleur ervan te oordelen vooraf in de wijn was gedopt, te willen weigeren. Zodoende wil de schilder tonen dat Judas zijn meester, Jezus, wil laten blijken dat het hem deert hem te moeten overleveren aan het gerecht.
De figuur van Judas wordt tegenwoordig graag in het licht gezet, met de vraag met welke reden de schuld bij voorbaat op zijn schouders werd gelegd. Hoe kan iemand schuldig geacht worden voor een feit dat hem reeds lang voor zijn geboorte werd aangerekend? De vraag die men nu kan stellen bij de iconografie van dit paneel is: heeft de schilder uiting willen geven aan zijn twijfels door een voorstelling te geven van een
mening die duidelijk de predestinatie uitdrukt.
Met andere woorden beeldde de kunstenaar in kwestie hiermee de Lutherse of Calvinistische ideeën en opvattingen uit. Zou men met deze gedachtengang de auteur niet op het spoor kunnen komen? Bij vergelijking met andere voorstellingen van het Laatste Avondmaal is het duidelijk dat dit werk een theologisch buitenbeentje is.
De discussie is in ieder geval geopend.
P. Reekmans