HEBBEN WE HET OVER ORGELS?                            Paul Reekmans                                  

 

De laatste maanden is er veel gezegd en geschreven, gevierd en gehekeld over orgels.

Het Leuvens Historisch Genootschap vzw is geen musicologische onderneming, hoewel ze vele megalomanen onder haar leden telt. Op muziek-historisch gebied wil ze wel haar woordje meespreken.

Onze vereniging zal zich nooit wagen aan het opstellen van een inventaris van de orgels die zich bevinden in Leuven en haar fusiegemeenten. De laatste inventaris dateert - naar ons weten - van 1985 (J.P. Felix en G. Huybens, Leuvense Orgelgids)  en is wel toe aan een recente controle of bijwerking.

Zo werd onlangs de restauratie van het Theodoor Smetorgel (1832) van de Predikherenkerk met fierheid voorgesteld en met brio ingespeeld door de stadsorgelist Peter Breughelmans. Wie zich interesseerde aan een technische toelichting of wie gewoon uit nieuwsgierigheid werd gedreven, mocht de trap opklimmen en zich wanen deel uit te maken van een zangkoor dat met liturgische zang de koordienst begeleidde.

Nauwelijks een maand later werd in de parochiekerk Onze-Lieve-Vrouw van Vlierbeek, in de voormalige abdijkerk, de restauratie gevierd van het Picard-orgel uit 1737.

Het Van Peteghem-orgel van de Sint-Annakerk van Oud-Heverlee kreeg onlangs ook een goede onderhoudsbeurt.

Zo werd nogmaals de aandacht gevraagd voor het ontwerp van plaatsing van een "reuzen"-orgel in de hoofdkerk in het centrum van de stad Leuven.

Het gaat over een project om een orgel aan te brengen aan de westkant van het kerkgebouw, boven het ingangsportaal. Een imposante onderneming met als resultaat een orgel dat hoofdzakelijk zou bestemd zijn voor muziekuitvoeringen van de grootste onder de grote orgelcomponisten Johan-Sebastian Bach.

Waarom in Leuven - waarom in de Sint-Pieterskerk?

Naar het zeggen van de promotoren werd deze locatie gekozen omwille van het feit dat de Leuvense Sint-Pieterskerk de enige is in België waar de westwand totaal vrij is en waar het westvenster niet van een waardevol glasraam is voorzien. Bovendien is de akoestiek van de ruimte bevredigend, is de kerk centraal gelegen en "heeft Leuven een zeer interessant cultuurleven, waarin het nieuwe orgel een zinvolle functie zou krijgen".

Dat de argumenten pro en contra onmiddellijk de pan zouden uitvliegen heeft niemand verwonderd. De ingreep is belangrijk genoeg om niet zomaar blindelings op het voorstel in te gaan.

 

 

Hoewel de gemoederen stilaan op kookpunt dreigen te komen, meent het bestuur van het LHG toch ook zijn stem te mogen laten horen in het kapittel. Wie er uiteindelijk zal over beslissen, zal de

volledige verantwoordelijkheid moeten dragen. met als prijs zowel pro als contra.

 

Om achteraf niet beschuldigd te worden van "Hadden we dat geweten?", neemt het LHG de volle verantwoordelijkheid van haar suggesties.

Het enige argument "pro" dat zou kunnen aangehaald worden, is gesteund op de vaststelling dat het interieur van een gotische kerk niet persé kan geschaad worden door een barokmeubel. Eeuwenlang hebben generaties hun aanbreng geleverd en het sublieme interieur aangevuld met de smaak van het ogenblik. Ware het niet dat de Franse sansculotten en de Duitse soldateska met nog eens de moordende bombardementen van een latere oorlog het interieur grondig hadden verwoest, zou de Sint-Pieterskerk nog steeds de aanblik geven van zovele andere kerken en kathedralen die aan deze rampen waren ontsnapt.

 

Wat dit argument "pro" echter onmiddellijk ontzenuwt is de belangrijkheid in grootte en gewicht van het project. Maar we lopen de feiten vooraf. Er zijn argumenten genoeg om zeer kritisch te staan tegenover het ontwerp.

Wat ons het meest verontrust is de ijver waarmee de ontwerpers en de promotoren het project proberen aan te praten. De financiële problemen worden met gemak van tafel geveegd. Sponsors liggen in drommen met ongeduld te wachten om het eerste openingsrecital te mogen bijwonen.

De kerkfabriek moet zich niet ongerust maken, integendeel. Het orgel zal probleemloos zijn functie als begeleider van de liturgische gezangen kunnen voldoen. De toevallige bespeler zal zich wel het speciaal karakter van het instrument moeten proberen eigen te maken.

 

Wat ons wel in hoge mate verontrust is de impact op het interieur. Volgens de ontwerpers zal de massa van het meubel niet opgehangen worden tussen de vier pijlers die de (nooit afgewerkte) toren moesten dragen, maar wel tegen het westvenster. Wat als gevolg zal hebben dat het maaswerk hiervan zijn waarde als lichtbron totaal zal verliezen. Erger is dat de zon vanaf de vroege namiddag tot het laatste avondgloren de volle kracht kan zetten op de rug van het instrument met alle gevolgen daaraan verbonden. Uiteindelijk zal men dan toch het venster moeten dichtmaken om de temperatuurschommelingen tegen te gaan. Men schermt dan wel met het argument dat er heden genoeg mogelijkheden zijn om een efficiënte isolering te voorzien om bv.op de rug van het meubel aan te brengen.

Een belangrijke vraag blijft of de ondergrond stabiel genoeg zal zijn om het gewicht te dragen dat moet aangebracht  worden. Van het bestaan van de kelders ter plaatse had blijkbaar niemand weet. Maar met de functie van ooit "conservator" van de kerkschat, had ondergetekende de mogelijkheid om het gebouw van onder tot boven, van de hoogste torenspits tot de laagste kelder, zonder beperking grondig te kunnen inspecteren. Hopelijk heeft men intussen de moed gehad om dat probleem ter plaatse toch eens na te gaan. Men kan natuurlijk geruststellend sussend antwoorden dat de hedendaagse technieken dat soort problemen niet uit de weg gaan.

In ieder geval zal de aanwezigheid van het reuzengrote orgel met zijn hoogte van circa 18 meter op circa 5 meter van de vloer, de westzijde totaal in duisternis hullen. Aangezien de hoogte van het kerkgebouw onder de gewelfsleutel 25,15m bedraagt, beschikt de orgelpartij met haar 23m slechts over 2,15m op overschot, wat in de ruimte  gezien van op de vloer niet meer dan een lichtspleet  zal zijn.

Er wordt voorzien dat het klokkengat voor 4/5 zal vrijblijven. Dan blijft de vraag of dit voldoende zal zijn om - zo nodig - de grootste klok zonder problemen naar beneden te kunnen takelen?

De promotoren nemen als positief argument de gunstige plaats van de kerk centraal in het stadsbeeld.

Is dat argument zo aantrekkelijk? Ooit werden de concerten in de raadzaal van het stadhuis afgeschaft omwille van de hinder dat het verkeer meebracht. Deze hinder is thans op de Grote Markt wel tot een minimum herleid, maar langs het de Layensplein is het verkeer nog steeds ten volle actief. Reken  maar dat hier zowat 1200 lijnbussen - met het nodige gedaver als toemaatje - hun bocht nemen. Misschien niet echt hinderlijk voor de luisterende megalomanen, maar zeker niet aan te raden voor het zo trillingsgevoelige instrument. Verkeer omleiden? Natuurlijk, niets is zo gemakkelijk en efficiënt.

 

 

De modale busgebruiker zal het niet erg vinden dat De Lijn de verbinding centrum/station nog maar eens op een andere manier laat verlopen.

Een niet zo domme suggestie pleitte voor het verhuizen van het orgel van de Predikherenkerk (Theodoor Smet – 1832) naar de Sint-Pieterskerk en de plaatsing van het Contiusorgel aan de toch reeds dichtgemetselde westzijde van de Predikherenkerk met het argument dat de Predikherenkerk toch eigendom is van de stad, waar bovendien de parochiale functie geen bezwaren kan geven, vermits ze niet meer als parochiekerk wordt gebruikt…en waar lijnbussen geen geluids- of trillingsproblemen kunnen veroorzaken.

Finaal blijft dan nog de vraag waarom dit orgel persé in een barokkleedje moet gestoken worden? Zijn er dan geen orgelbouwers die de orgelkast een modern, hedendaags uitzicht kunnen bezorgen in de plaats van een nep-barokorgel met het uitzicht van een kermis-pierement of van een suikertaart van een bruiloftsdiner? Ik kan me niet indenken dat het voor de klankweergave echt nodig is dat de vele kronkelende groenten- en fruitslingers daartoe een meerwaarde zullen leveren.

En – trouwens - wie van de inrichters en bouwers gelooft nog in al die engeltjes die er rondzweven en die de kost van de orgelkast toch maar nodeloos kunnen verzwaren.

Het zal de promotors geraden zijn het hoofd koel te houden. Hun realiteitszin zou de sponsors toch iets of wat moeten aanzetten tot bescheidenheid. Het is niet omdat Leuven provinciehoofdstad is geworden en de aanblik krijgt van een stad met allures, dat men er plots een metropool moet  van maken en het centrum een bedevaartsoord moet worden.

Is het al erg genoeg dat een Ernest-Claeseffect over de stad zou gaan rondwaren?

Och, toch altijd liever dat dan een…Baas Ganzendonck–effect.

 

NOOT VAN DE REDACTIE

 

In het themanummer van het tijdschrift ‘Orgelkunst’ over de Sint-Pieterskerk te Leuven ( Jaargang 29 – september-oktober-november 2006/3 ) wordt het Contiusproject uitgebreid behandeld. Dit tijdschrift is een uitgave van Orgelkunst vzw, Overhem 28 a, 3320 Hoegaarden. Hoofdredacteur Luk Bastiaens,

www.orgelkunst.be, 016 / 76 52 99.