ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK A. SMETSPLEIN  J. De Gryse - J. Ooms     1

 

Gedurende anderhalve maand voerde Ruben Willaert bvba opgravingen uit op het A. Smetsplein[1]. Aanleiding voor het onderzoek was een huisvestingsproject op de plaats van de oude zwembadsite.

De opgraving volgde na een evaluatie van het terrein door het Agentschap R-O Vlaanderen Onroerend Erfgoed. De bouwheer, Implant NV, financierde het terreinwerk (35 dagen) en de basisverwerking (10 dagen). Het OCMW Leuven stelde in het kader van artikel 60 tewerkstelling drie arbeiders ter beschikking. De wetenschappelijke begeleiding van het onderzoek was in handen van het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE).

Uit het archeologisch onderzoek blijkt dat menselijke aanwezigheid op het terrein ten vroegste te situeren is in de late 12de/13de eeuw. In deze periode werd een groot deel van het terrein opgehoogd, vermoedelijk om het terrein bouwrijp te maken. Bewoningssporen uit deze periode werden echter nergens aangetroffen. In de 14de/15de eeuw werd het terrein opnieuw aanzienlijk opgehoogd. Tot deze periode behoren slechts enkele sporen: één paalkuil en een restant van een pottenbakkersoven met aansluitende

werkkuil. 

 

 

De vondst van de pottenbakkersoven heeft een zeer grote wetenschappelijke waarde. Totnogtoe bestonden er slechts vermoedens

dat er langs de Tiensestraat pottenbakkers gevestigd waren, maar nooit werden in situ pottenbakkersovens aangetroffen.

De onderzochte oven was grotendeels verstoord: enkel een fractie van de oorspronkelijke buitenwand en vulling was bewaard. Hierdoor konden onmogelijk conclusies getrokken worden m.b.t. het grondplan (cirkelvormig of ovaal) of de typologie (liggend of staand type). De buitenwand was opgebouwd uit zeven lagen baksteen (recuperatie), die in leem gevat waren. Aan de blootgestelde zijde vertoonden de bakstenen zware brandsporen.

 

De vulling van de oven leverde heel wat interessante gegevens op i.v.m. de chronologie en de opbouw van de constructie. Het bovenste vullingspakket bestond uit een laag verbrande leem. Het ging om een zeer losse vulling, die vermoedelijk in verband te brengen is met de lemen koepelconstructie. In deze laag werd heel wat pottenbakkersafval aangetroffen, daterend uit de tweede helft van de 14de/15de eeuw. Deze laag bevatte bovendien meerdere scherven, waaraan leem vastgebakken bleek te zijn. Vermoedelijk gaat het om misbaksels die als bouwmateriaal herbruikt zijn bij de opbouw van de koepelconstructie. Deze potten hielden de warme lucht vast, waardoor een goede isolatie verkregen werd en bijgevolg minder hard gestookt moest worden.  Onder de laag verbrande leem kwamen over de volledige breedte van de oven fragmenten van haardtegels voor. Op deze tegels bleken geen secundaire brandsporen voor te komen. Deze tegels maken bijgevolg geen deel uit van de ovenconstructie, maar zijn er na de opgave van de oven in terecht gekomen. Onder het tegelniveau bevond zich een vermengde laag, bestaande uit houtskool en verbrande leem. In deze laag bleken opnieuw heel wat misbaksels voor te komen. De bodem bestond uit een vrij harde bruinzwart verbrande leemlaag.

 

De ovenwand vertoonde aan noordelijke zijde een onderbreking. Mogelijk heeft deze uitbraak te maken met het ruimen van de oven. Op deze onderbreking sloot een onregelmatige kuil aan met een lengte van 1,7m en een breedte van 1,06m. Bij het maken van een doorsnede konden verschillende opvullingslagen onderscheiden worden. Het aardewerk uit deze kuil bleek zowel chronologisch als typologisch analoog te zijn met het aardewerk uit de pottenbakkersoven.

 

Het archeologisch onderzoek bracht ook enkele bakstenen muren aan het licht, die waarschijnlijk te relateren zijn met het college de Bay. Het college, gesticht in 1612, strekte zich op het einde van de 17de eeuw uit van de Tiensestraat tot aan het Pauscollege[2]. In dit college bereidden theologiestudenten zich voor op het priesterschap.

Omdat er grote onduidelijkheid bestaat over het exacte grondplan van het college de Bay, kon aan de onderzochte muren geen precieze functie toegeschreven worden. Een vrij grote afvalkuil leverde heel wat interessante gegevens op over de leefcultuur van de bewoners van het college de Bay. Het materiaal uit de afvalkuil dateert hoofdzakelijk uit het einde van de 16de/begin 17de eeuw.

 

 

Vanaf het einde van de 18de/19de eeuw werd het terrein in grote mate verstoord door de gebouwen van de kazerne de Bay en de gemeenteschool n°1. Na de opheffing van de universiteit in 1797 werden de linkervleugel en het centrale deel van het college de Bay afgebroken[3]. Op de plaats van de afgebroken collegegebouwen werd een lange blinde muur opgericht. In de overblijvende gebouwen werd vanaf 1810 een infanteriekazerne opgericht, waar o.a. het 10de linieregiment verbleef[4]. Vanaf 1873 kregen de rechtervleugel van het college de Bay en het

aanpalende Van Winckelecollege een nieuwe bestemming: de gebouwen werden ingericht als gemeenteschool n°1[5]

 

Tijdens de Tweede Wereldoorlog liepen de kazerne en de gemeenteschool zware schade op; de gebouwen werden in 1958 gesloopt voor de bouw van het stedelijk zwembad. Reeds in 1955 maakte architect Maxime Brunfaut een gedetailleerd plan op van de toenmalige toestand van de kazerne en de gemeenteschool[6]. Dankzij dit plan konden heel wat structuren met absolute zekerheid geïdentificeerd worden.

 

 

 

 

 

 

 

De meerderheid van de onderzochte structuren behoort tot het kazernecomplex. Centraal in het opgravingsterrein bevond zich een grote kelder, die aan westelijke zijde volledig oversneden werd door het stedelijk zwembad. De onderzochte lengte van de kelder bedroeg 13,4m; de breedte 8,1m. De oorspronkelijke lengte van de kelder bedroeg volgens het plan van Brunfaut 58,1m.

 

Aan de binnenkant bestond de kelder uit gekaleide bakstenen muren (hoogte: 1,67m), gekenmerkt door de aanwezigheid van verschillende gewelfaanzetten en afzaten. Zowel aan noordelijke als aan zuidelijke zijde kwam aan de buitenkant van de kelder een natuurstenen parement voor, bestaande uit Balegem- en ijzerzandsteen. De bakstenen vloer bleek zwaar verstoord te zijn, vooral in het oosten van de kelder.

 

 

 

De oorspronkelijke toegang tot de kelder bevond zich in de noordelijke keldermuur. In een latere fase blijkt de zuidelijke keldermuur plaatselijk uitgebroken te zijn om een nieuwe toegang tot de kelder te creëren. Ter hoogte van de nieuwe toegang kwam op de keldervloer een constructie van recuperatiemateriaal voor, die fungeerde als een soort trede. Het uitbreken van de keldermuur ging gepaard met de aanleg van een trapconstructie op hoger niveau. Uit één van de grondplannen blijkt trouwens dat de kelder in deze fase niet één, maar twee nieuwe toegangen kreeg aan zuidelijke zijde.

 

De aanpassingen aan de zuidelijke keldermuur hebben waarschijnlijk te maken met een herbestemming van de ruimte. De zwarte verkleuring op de bakstenen vloer, de muren en de binnenkant van de nieuwe kelderopening wijst er mogelijk op dat de kelder herbruikt werd als opslagplaats voor steenkool of als bezinkput.

 

 

 

Ten noorden van de kelder bleken eveneens heel wat structuren tot het kazernecomplex te behoren. De oorspronkelijke toegang tot de kelder, in de noordelijke keldermuur, was volledig dichtgemetseld. Dit metselwerk sloot de kelder af van een lange gang met een lengte van 10,6m en een breedte van 2,2m. Het vloerniveau van de gang lag 1,1m lager dan het vloerniveau van de kelder. Zes treden uit blauwe hardsteen moesten het hoogteverschil tussen beide vloerniveaus overbruggen.

 

Aan noordelijke zijde was de gang opnieuw volledig dichtgemetseld. Achter dit metselwerk bevond zich volgens het plan van Brunfaut een tweede kelder. Deze kelder kon echter niet onderzocht worden, omdat de structuur zich net buiten het opgravingsterrein bevond.

 

In de zone ten noorden van de kelder werd ook de scheidingsmuur tussen de kazerne en de gemeenteschool gedeeltelijk aangesneden. Deze muur was volgens het plan van Brunfaut gebouwd tegen de noordelijke keldermuur en liep helemaal tot aan de Tiensestraat. Spijtig genoeg kon deze muur slechts gedeeltelijk onderzocht worden, omdat hij zich net op de rand van het opgravingsterrein bevond.

 

Ook in de zone ten zuiden van het opgravingsterrein konden heel wat muren toegeschreven worden aan het kazernecomplex. Tussen de twee nieuwe keldertoegangen kwam volgens het plan van Brunfaut een groot gebouw ‘zonder kelderingen’ voor met een lengte van 45,61m en een breedte van 6,85m. Een OW-georiënteerde muur parallel met de zuidelijke keldermuur moet zonder twijfel met dit gebouw in verband gebracht worden. De fundering bestond hoofdzakelijk uit ijzerzandsteen, ingebed in een groene zandige kalkmortel.

 

Opmerkelijk was de oppervlakkige bewaringstoestand: de bewaarde hoogte van de fundering bedroeg slechts 34cm. Deze fundering bleek in het oosten verbonden te zijn met een NZ-georiënteerde structuur met gelijkaardige kenmerken. Het NZ-verloop kon slechts over een beperkte afstand onderzocht worden: de fundering bleek hier grotendeels uitgebroken te zijn. Wat de precieze functie van dit gebouw was, is onduidelijk.

 

In het uiterste zuiden van het opgravingsterrein tenslotte werd de noordelijke muur van een vierkante of rechthoekige structuur aangesneden.

Het gaat om een massieve muur uit Balegemsteen, met een breedte van 75cm en een hoogte van 2,2m.

Bovenaan kwamen drie baksteenlagen voor, die te relateren zijn met opgaand metselwerk of met het aanwezige bakstenen gewelf. Centraal in de muur kwam een opening voor met een lengte van 1,35m en een breedte van 65cm.

 

 

De onderkant van de opening correspondeerde met de onderkant van de fundering. Op basis van het materiaal kunnen we besluiten dat het om een structuur uit de 19de eeuw gaat. De interpretatie van het gebouw blijft voorlopig nog onduidelijk. Of dit gebouw tot het kazernecomplex behoort, is evenmin zeker, vermits het op geen enkel grondplan van de kazerne de Bay voorkomt.

Hopelijk kan bijkomend in de toekomst archiefonderzoek de resultaten van het archeologisch onderzoek nog aanvullen… en nieuwsbrieven over de opgravingen zullen binnenkort verschijnen: www.rubenwillaert.be

 

BIBLIOGRAFIE

Van Even, E. 1895, Louvain dans le passé et le présent, Deel III.

SAL.MA. 3007.

SAL.MA. 19.645.


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Overzicht opmeting archeologisch onderzoek Zwembadsite (Alfons Smetsplein) te Leuven  in 2006 door Janiek De Gryse en Janina Ooms.

 

 

        

 

 


 



[1] Ruben Willaert bvba, Bloemisterijstraat 6, 8340 Sijsele/Damme, www.rubenwillaert.be

[2] Van Even 1895, 597.

[3] Van Even 1895, 597.

[4] Van Even 1895, 597.

[5] SAL.MA. 3007.

[6] SAL.MA. 19.645.